Er is een verband tussen de Torahlezing van deze week en het concept van zuivering of vergeving van zonden. De naam van de Parashah is Shemini of achtste. Het verwijst naar de dag nadat de Kohanim (priesters) hun dienst in de Tempel (of de Tabernakel) hadden beëindigd. Op de achtste dag zouden ze vertrekken. Wat onze Torahlezing betreft, was het alleen de hogepriester, Aäron, die dienst deed, terwijl Mozes hem instructies gaf. Deze eerste keer was een voorbeeld voor de andere priesters die in de toekomst dienst zouden doen. Merk op dat sommige autoriteiten leren dat het Mozes was die het werk alleen deed, terwijl Aäron en zijn zonen alleen toekeken en pas vanaf de achtste dag dienst begonnen te doen.
Het is veelzeggend dat de achtste dag wordt benadrukt. Dit getal heeft betrekking op iets ‘nieuws’. Het kan ook in verband worden gebracht met de begrippen ‘verlossing’ en het ‘Koninkrijk’. Het is dan ook niet verwonderlijk dat men leest:
En Aaron hief zijn handen op naar het volk en zegende hen, en hij daalde af en bracht het zondoffer, het brandoffer en het dankoffer. En hij en Mozes kwamen tot de tent der samenkomst en gingen naar buiten en zegenden het volk, en de heerlijkheid van de HEERE verscheen aan het hele volk. Leviticus 9:22-23
Uit deze twee verzen leren we dat het belangrijkste werk van de Kohaniem is om het volk te zegenen. Het belangrijkste is dat het volk niet gezegend kan worden zonder dat eerst offers worden gebracht, die verzoening voor zonden brengen. Wat is de echte zegen? We lezen dat “de glorie van HaShem aan het hele volk verscheen”. Met andere woorden, hoewel verzoening noodzakelijk is, is het niet het hoofddoel. Het is eerder het noodzakelijke middel voor wat HaShem werkelijk wil, namelijk dat er gemeenschap is tussen Hemzelf en het volk. Wanneer de tekst zegt dat “de glorie van HaShem verscheen…”, heeft dat betrekking op het manifesteren van Zijn aanwezigheid.
Nu Yeshua de prijs heeft betaald om voor de zonden te verzoenen, hebben wij (gelovigen) het voorrecht om deel te hebben aan een nieuw soort priesterschap, een koninklijk priesterschap (1 Petrus 2:9), en anderen tot Zijn wonderbaarlijke licht (glorie) te brengen.

